Kennis

Zintuiglijke prikkelverwerking

Als ouders, begeleider of leerkracht heb je dagelijks te maken met de over-of ondergevoeligheden van het kind met autisme. Autisme en onder- en overgevoeligheid zijn zaken die erg vaak samengaan. Moeilijk gedrag van kinderen gaat vaak samen met onder- en overgevoeligheid van de zintuigen. Het is goed om hier meer inzicht in te krijgen zodat men opzoek kan gaan naar mogelijkheden om het kind te helpen, in plaats van het kind te willen veranderen in zogenaamde ‘normale mensen’.

Wij kennen 5 zintuigen;
de huid, ogen, oren, neus en mond die over- en/of ondergevoelig kunnen zijn voor zintuiglijke prikkels. Als je overgevoelig bent voor prikkels reageer je overdreven op de gewone zintuiglijke prikkels en als je ondergevoelig bent dan reageer je niet of nauwelijks op de gewone zintuiglijke prikkels. Dit noemt men hypergevoeligheid (over)of hypogevoeligheid (onder).

Over welke prikkels hebben we het dan? We hebben het over voelen (huid), zien (ogen), horen (oren), ruiken (neus) en proeven (mond). Het is ook nog mogelijk dat bij een kind of volwassen de over- en ondergevoeligheden elkaar afwisselen en bovendien op een enkel zintuig betrekking heeft.

Huid
Sommige kinderen met autisme hebben moeite met aanrakingen van de huid en kunnen soms zelfs schrikken of boos worden van een onverwachte aanraking. Soms kunnen ze er wel goed tegen als zij het zelf vragen, of als je het van te voren aangeeft. Bij overgevoeligheden van de huid zien we voornamelijk dat het kind niet graag wordt aangeraakt. Een goed bedoelde aai over de bol of een schouderklopje als compliment kan als heel vervelend ervaren worden. Het kind verdraagt moeizaam nieuwe kleding of kleding met naadjes of printen. Ook bij seizoenswisselingen zoals de wisseling van zomer naar herfst, kan het veranderen van dunne, lichte zomerkleding naar dikke zware winterkleding problemen opleveren. En andersom ook. Ze moeten weer langzaam wennen aan de andere stoffen, aan de lange mouwen, en het er boller uitzien door de dikke trui of jas. Vaak hebben kinderen met autisme in de winter evengoed nog een T-shirt aan, omdat zij het dan niet koud hebben, en zich er prettig in voelen. Het niet zo snel koud hebben is dan een ondergevoeligheid. Vaak lopen zij liever op blote voeten, en zijn ze overgevoelig voor het dragen van sokken en schoenen, deze zijn te warm of ze voelen naadjes of het zit te strak om de voeten. Bij overgevoeligheden kan een kind sterk reageren op kou, warmte of pijn, maakt niet graag zijn handen vuil, en kan andere mensen vermijden. De ondergevoeligheden van de huid kunnen bijvoorbeeld strak zittende kleding zijn. Anderen stevig omarmen, en een stevige aanraking als prettig ervaren. Houd van stoeien, maar bezeert zichzelf ook vaak. Kan een hoge tolerantie voor pijn of temperatuur hebben. Zoekt situaties waarin gewicht op het lichaam drukt door onder zware voorwerpen te kruipen. Hiervoor zijn eventueel speciale dekens of vesten.

Mark heeft bij elke wisseling van het seizoen moeite met het aanpassen van zijn kleding. De wisseling van zomerjas naar winterjas geeft de meeste problemen. Mark voelt zich opgepropt, opgesloten en dik in een winterjas. Als Mark opmerkt dat een zomerjas te koud wordt gaat hij toch maar overstag, maar probeert de winterjas zo min mogelijk aan te trekken. Zo vind hij het ook lastig om zomers een korte broek aan te trekken. Mark vind een lange broek prettiger zitten, en is ook voorspelbaarder. Want wanneer trek je nou een korte broek aan? Als de zon schijnt? Maar ja in de winter schijnt de zon ook weleens! Als je het warm hebt? Binnen is het soms in de winter ook 21 graden? Wanneer is het warm genoeg. Mark draagt het liefst zijn sportbroeken die kunnen in de winter en in de zomer. Maar als hij van school thuis komt trekt hij meestal een korte pyjama broek aan. Zo draagt Mark ook alleen maar shirts zonder printjes en met zo min mogelijk naadjes. Labeltjes worden eruit geknipt, sokken en schoenen heeft hij al jaren dezelfde van.

Roy vind het altijd erg lastig om zijn haren te laten en knippen. Hij gaat niet graag naar de kapper toe, en heeft zijn moeder er dus voor gezorgd dat er iemand thuis komt om te knippen. Het liefst laat hij zijn haar lang groeien en komt er geen kapster aan. Maar omdat zijn moeder toch vindt dat zijn haar geknipt moet worden, laat hij het al mokkend toe. Hij vraagt steeds of de kapster bijna klaar is. Roy heeft zijn moeder weleens verteld dat hij de kam op zijn hoofd pijnlijk vind, de geknipte losse haren kriebelen en het geluid van de schaar hem stoort. Vanaf het moment dat Roy’s moeder aan de kapster heeft gevraagd iets zachter over zijn hoofd te kammen, gaat het knippen van hem iets beter.

Als Mark avonds gaat douchen zet hij de douche vaak van warm naar koud. Mark vind het prettig de prikkels van de douchstraal op zijn huid te voelen. En door warm en soms heet met koud water af te wisselen voel hij de prikkels beter.(prikkelzoeker)

Oren
Geluiden komen harder over dan normaal, maar soms ook op hetzelfde geluidsniveau zoals bv bij een video opname, of het dragen van een gehoorapparaat. Een kind met autisme kan de hoofd- en bijzaken niet goed onderscheiden en dan komen alle geluiden even hard binnen. Soms raken ze geprikkeld door zacht getik van de klok, gekras van een potlood, door een zoem van de koelkast, of door harde muziek van broer of zus, maar hebben geen last van muziek wat ze zelf hard aan hebben gezet. Dat komt omdat zij daar zelf de controle over hebben. Bij overgevoeligheden bedekt het kind de oren met de handen, slaapt heel licht en is bang voor dieren en heeft een hekel aan onweer, harde regen of storm. De geluiden kunnen het kind angstig maken, omdat ze niet weten waar ze aan toe zijn, wat gaat er gebeuren? De wereld kan wel overstromen of vergaan.  Hier kan ook de zintuiglijke overgevoeligheid van de huid (voelen) bijkomen, want het kind kan tegelijkertijd last hebben van het geluid van de knippende schaar, maar kan ook van de kam die over de hoofdhuid gaat, het mesje die de nekhaartjes weghaalt, het kriebelen van de geknipte haartjes en de hitte van de fohn. Soms zie je dat kinderen met autisme boven bepaalde geluiden uit proberen te komen door zelf herhaaldelijk hetzelfde geluid te produceren. Dit doen ze dan om de bestaande geluiden te blokkeren. Een voorbeeld hiervan is een gezin wat aan tafel zit te eten, maar waar veel drukte en geluid bij gemaakt wordt. Het kind met autisme kan dan op de tafel gaan bonken met zijn hand of met een kopje om de bestaande geluiden te blokkeren. Het lijkt dan soms dat het kind meer geluid wil maken en aandacht vraagt, dit is echter niet zo, het kind heeft last van de vele prikkels die binnen komen, en raakt overprikkelt en probeert het op te lossen door de bestaande geluiden te blokkeren door met eigen geluiden te overstemmen. Kinderen die ondergevoelig zijn voor geluid houd van mensenmenigte en druk verkeer. Wordt aangetrokken door geluiden, en maakt zelf luide ritmische geluiden. Ook het scheuren en verkreukelen van papiertjes is een ondergevoeligheid van geluid.

Als Mark thuis aan tafel zit, zij wonen in een rijtjeswoning, kan hij voordat andere het horen, aangeven dat zijn vader er met de auto aankomt. Omdat geluiden bij hem harder binnenkomen, loopt hij ook vaak weg bij gesprekken en vermijdt hij plaatsen waar het druk is.

Soms zien we ook dat kinderen op zoek gaan naar geluiden en dan bijvoorbeeld hun oor tegen een elektrisch apparaat houden of juist genieten van de mensenmassa’s of van de sirenes van brandweerauto’s. Als het gehoor hypogevoelig is kan het soms zo zijn dat het te stil in de omgeving is, en als er dan te weinig geluid is gaan ze zelf geluid produceren, zoals met de deuren slaan, kloppen of tikken met voorwerpen of verbaal geluiden maken. Terwijl een ander het heel vervelend kan vinden als je aan het zingen bent.

Op school gebruikt Mark weleens een koptelefoon zodat hij zich beter kan concentreren in de klas. Als hij overprikkelt raakt van alle geluiden om hem heen, gaat hij storend gedrag vertonen. Een koptelefoon met een muziekje wat Mark prettig vind is een prima oplossing, omdat het hem dan beter lukt zich te concentreren en zijn werk af te maken. Soms gaat Mark even naar een lege ruimte op school om daar ongestoord zijn werk af te maken.

Sommige kinderen gebruiken op school een bouwkoptelefoons omdat hier zo goed als geen geluiden door komen. Echter is het aan te raden om een koptelefoon te gebruiken met een muziekje naar keuze. Het is namelijk zo dat de bouwkoptelefoon geen prikkels doorlaten, maar de hersens wel opzoek gaan naar prikkels, waardoor weer concentratie problemen kunnen ontstaan. (prikkelzoekers)

Neus
Een kind kan voor jouw gevoel soms overdreven reageren op “luchtjes”. Hij of zij maakt dan regelmatig opmerkingen over geuren van bv voedsel, andere mensen of geld. Onze zoon met autisme vind kaas enorm vies ruiken, en maakt altijd opmerkingen als ik een broodje kaas eet. Het kan dus zijn dat je kind overmatig goed kan ruiken en daar dus echt last van heeft. Hij wordt overspoeld door een (voor hem) vieze geur, en kan op zo’n moment alleen nog maar ruiken. Je zult hem alles wat hij doet zien staken en hem (overdreven) horen en zien reageren op het luchtje. Soms moet je de lucht wegnemen omdat een kind er letterlijk van moet overgeven of het niet kan relativeren. Zo wilde een jongen met autisme in de klas niet naast een andere jongen in de kring zitten, omdat zijn buurman windjes liet. Hij werd enorm afgeleid door de lucht en werd boos en gefrustreerd. Hij nam dan ook geen blad voor de mond en liet iedereen duidelijk merken dat de buurman een scheet had gelaten en dat het stonk. Hij wilde niet meer naast of enigszins in de buurt van deze jongen zitten. Hij was  overgevoelig voor sterke geuren en loopt er voor weg, en houd afstand van andere mensen. Andere overgevoeligheden kunnen het dragen van steeds dezelfde kleding zijn, omdat de geur vertrouwd is. Ondergevoeligheden van de reukzintuig kan zijn dat het kind juist aan zichzelf, aan andere mensen of voorwerpen ruikt. Zij gaan juist af op sterke geuren.

In de auto onderweg naar Frankrijk vertelde Mark dat hij  vuur of brand rook, maar er was op dat moment nog geen vuur, rook of brand te bekennen. Na een kleine kilometer zagen de andere in de auto dat een boer op zijn land afval aan het verbranden was. Mark had dat al ver voor de andere uit geroken, en blijkt dus een hele goed ‘neus’ te hebben.

Mark had op de basisschool moeite om mee te komen, raakte snel overprikkeld en  kon dan de klassikale lessen niet volgen. Er waren momenten dat het helemaal niet lukte op school en dan mocht Mark naar huis bellen. Op een dag wilde Mark niet meer bellen, maar wilde ook niet vertellen waarom hij niet wilde bellen. Uiteindelijk heeft de leerkracht zelf gebeld en Mark werd door zijn moeder opgehaald. Eenmaal thuis vroeg zijn moeder waarom Mark zelf niet wilde bellen, en Mark vertelde dat de telefoon naar de sigarettenrook stonk, en dat hij daar misselijk van werd. Hij wilde dit op school niet vertellen omdat hij dat moeilijk vond.

Mond
Overgevoeligheid in de mond kan tot gevolg hebben dat het kind problemen heeft met het eten van bv warme of koude dingen, harde stukken of zachte stukken of structuur. Zoals macaroni waarbij veel verschillende etenswaren door elkaar gaan. Het eten zelf kan lastig zijn, opvallend is dat sommige kinderen niet weten hoe ze moeten kauwen. Het kind kan te lang of te kort kauwen en dan het eten te groot doorslikken. Zo kan een kind op een hapje vla heel lang kauwen, of eten bewaren in zijn wangen en vervolgens een nieuwe hap nemen, en pas slikken als de mond vol is. Het kind moet leren hoe en wanneer het moet kauwen en doorslikken. Sommige kinderen willen al het eten door elkaar geprakt en bij de ander mag de aardappel en het vlees elkaar niet aanraken. Een drievaksbord kan dan uitkomst bieden. Andere overgevoeligheden kunnen het kokhalzen of braken bij een geringe aanleiding zijn, of juist een grote voorliefde hebben voor bepaalde soorten eten. Het in de mond steken of likken aan bepaalde voorwerpen kan een ondergevoeligheid van de mond zijn. Zo ook het door elkaar eten van verschillende smaken zoals zoet, zuur of zout. Tijdens het eten komt naast praten ook het proeven en voelen van de mond er nog bij. Op dat moment zijn alle zintuigen superactief en moet het kind heel hard puzzelen om deze informatie allemaal verwerkt te krijgen.

Mark heeft veel moeite met eten, vooral met de warme maaltijden. Zijn aardappelen, groenten en vlees liggen verdeeld op een drievaksbord, want hij vind het niet prettig als het voedsel elkaar raakt. Sperziebonen wil Mark niet meer eten omdat hij er een keer van overgegeven heeft. Als het gezin macaroni gaat eten wordt de groenten voor Mark klein gemaakt met een blender, op zich eet hij dan goed, maar toch lukt het Mark soms nog om stukjes groenten er uit te peuteren.

Mark heeft ook een tijdje een elektrische tandenborstel geprobeerd voor het poetsen van zijn tanden. Dit was geen succes, Mark had veel last van het getril en gewiebel in zijn mond en verkoos toch de gewone tandenborstel boven de elektrische borstel. 

Timon eet altijd er traag. Toen zijn moeder eens goed ging opletten wat Timon met zijn eten deed, kwamen zij erachter dat Timon op een hapje eten kauwt, en vervolgens bewaart in zijn wang. Daarna neemt hij weer een hapje en doet precies hetzelfde. Als zijn mond vol is probeert Timon iets door te slikken, waar hij moeite mee heeft en angstig voor is. Timon is bang om zich te verslikken en te stikken. Timon heeft daarna geleerd om 1 hapje eten in zijn mond te doen, te kauwen en te slikken, en spaart nu het eten niet meer op. Hij heeft nog wel de gewoonte om op zijn vla te kauwen, maar slikt het nu wel direct door.

Ogen
Het kind kan overgevoelig zijn op de ogen, zodat binnenkomende prikkels hem overweldigen. Te fel licht van de zon, schaduwen of juist te donker. Te veel kleuren, of bewegingen van het licht- of zonnestralen. Bijvoorbeeld een knipperende tl lamp. Voorbereiden op wat komen gaat en het benoemen van wat het ziet helpt het kind sneller te puzzelen en te verwerken van deze prikkels. Ook oogcontact kan erg lastig zijn, omdat oogcontact in eens heel veel prikkels kan geven, dat het kind soms ook niet meer in staat is om te luisteren. Oogcontact maakt sommige kinderen angstig, zij hebben het gevoel dat je hen gedachte kan lezen. Andere vinden oogcontact te intiem, en kijken dan niet of kijken weg. Dwing oogcontact niet af. Je kunt omwille van de beleefdheid met het kind afspreken dat hij bij het praten de blik richt op een punt op het gezicht van de ander. BV tussen de ogen, zodat hij iemand niet echt in de ogen hoeft aan te kijken. Mensen zonder autisme zien oogcontact als een soort van bevestiging dat je werkelijk luistert. “Kijk me aan als ik tegen je praat!” Het kind kan heel goed luisteren zonder oogcontact, en eigenlijk kan het zelfs beter luisteren omdat de ogen voor te veel afleiding zorgen. Andere overgevoeligheden van de ogen zijn, het juist voortdurend kijken naar hele kleine details, en raapt soms de kleinste stofjes op. Bij ondergevoeligheden voelt het kind zich juist aangetrokken door fel licht. Kijkt met gespannen aandacht naar mensen of naar voorwerpen. Tast met de hand de omtrek van een voorwerpen af en blijft in een ruimte het liefst dicht bij de muur.

Als Mark ’s middags thuis komt uit school, trekt hij meteen zijn schoenen en sokken uit, loopt hij meestal eerst naar de huiskamer om zijn computer aan te zetten, zet de radio uit, vervolgens laat hij de rolgordijnen zakken om zonnestralen en schaduwen buitenshuis te plaatsen. Dan loopt hij naar boven en ruilt zijn shirt met lange mouwen voor een T-shirt en ruilt zijn lange broek voor een korte lichte pyjamabroek. Daarna kan hij een spel op de computer spelen. Mark is overgevoelig voor licht, geluid,  en  aanraking van kleding op zijn huid. Dit doet hij dag in dag uit, bij zomer en winter. Als Mark dit allemaal niet doet is de kans groot dat hij overprikkeld raakt.

Mark merkt pijn niet snel op. Hij heeft een hoge tolerantie voor pijn. Mark heeft maanden lang last gehad van oorontstekingen zonder daar echt pijn van te hebben. Hij merkte wel op dat zijn oor niet schoon was, maar voelde de pijn niet. Mark is twee keer geopereerd aan zijn oor, en heeft geen krimp gegeven. 

Timon deed aan free run. Hierbij maakte Timon weleens flinke smakkers, en zat hij soms onder de blauwe plekken, maar je hoorde hem niet. Maar als Timon zich per ongeluk sneed aan een papierrandje, dan was de wereld te klein. Dit deed dan zo ontzettend pijn, en bij het zien van bloed wilde hij eigenlijk meteen naar de dokter gaan. Nou scheelt het dat Sanne in de zorg werkt, en Timon goed gerust kan stellen en het wondje kon verzorgen. Met aandacht een pleister of een verbandje was Timon snel tevreden.

 

Evenwicht en spieren

Vestibulair is evenwichtsorgaan, gericht op beweging en balans. De overgevoeligheden van het evenwichtorgaan zijn bijvoorbeeld dat het kind schrikachtig reageert op vrij gewone lichamelijke bewegingsactiviteiten zoals schommels of glijbanen. Maar ook niet er van houd om met het hoofd naar beneden te hangen. Het kind kan het moeilijk vinden om op oneffen of onstabiele ondergrond te kruipen of te lopen. Hierbij kan je denken aan een regenplas of sneeuw. Het kind kan ook angstig worden wanneer de voeten de grond niet meer raken. Bij ondergevoeligheden van het evenwichtsorgaan kunnen we denken aan het heen en weer bewegen van het bovenlichaam. Juist wel houden van schommelen, glijbanen en draaimolens, draait om haar of zijn eigen as of loopt rondjes.

Proprioceptie (spierspanning) is het vermogen om de positie van het eigen lichaam en lichaamsdelen waar te nemen. De overgevoeligheden hiervan zijn dat het kind een vreemde lichaamshouding aanneemt. Dat het kind moeite heeft met het hanteren van kleine voorwerpen zoals knopen. Of dat het met het hele lichaam omdraait om naar iets te kijken. De ondergevoeligheden zijn bijvoorbeeld een geringe spierkracht, een laag besef van de lichaamspositie in een ruimte. Houd voorwerpen niet stevig vast en laat veel uit de handen vallen, maar loopt ook tegen voorwerpen of andere mensen aan. Het kind is zich niet bewust van eigen lichaamssignalen zoals honger, dorst of vermoeidheid. Maakt soms een hangerige indruk, leunt vaak tegen andere mensen, meubilaire of muren aan. Struikelt vaak, vertoont sterke neiging om om te vallen. En beweegt het boven lichaam heen en weer.

Vroeger toen Mark nog heel klein was, gingen zijn ouders met hem op wintersportvakantie. Opvallend was, dat Mark altijd op de slee wilde blijven zitten en niet wilde lopen. Als zij Mark in de sneeuw wilde zetten trok hij zijn beide voetjes op, en wilde niet gaan staan, omdat hij in de sneeuw weg zakte en niet stevig stond.

 

Als Mark op een stoel gaat zitten, zit hij bijna altijd met opgetrokken knieën. Mark kan wel even met zijn benen naar beneden en beide voeten op de grond zitten, maar zijn voorkeurshouding is toch met opgetrokken knieën. Voor zijn gevoel zit hij dan stabieler, wat hem een veilig gevoel geeft. Als hij voor langere tijd met zijn voeten op de grond moet zitten, dan is zijn lichaamspositie uit balans en raakt Mark geprikkeld.

Zintuigelijke gevoeligheden kunnen tot verwarring of het tegenovergestelde daarvan- fascinaties leiden. Deze ervaringen zijn heel persoonlijk bepaald. Het soort prikkel dat de verwarring of fascinatie veroorzaakt verschilt van persoon tot persoon. Een visueel beeld of een geluid dat bij het ene kind pijn doet kan bij een ander aangenaam zijn. Dit kan bijna alle zintuigen betreffen.

De zintuiglijke omgeving is voor kinderen met autisme erg belangrijk. Ze missen de vaardigheden om zich aan te passen aan zintuiglijke prikkels dat de andere mensen als normaal ervaren. Als we tegemoet komen aan de zintuiglijke behoeften, zal probleemgedrag veel minder vaak voorkomen.